De laat-Gothische Kruiskerk te Poortugaal

(N.L. van Dinther, 1979)


1. Inleiding

Het eerste dat opvalt aan de kerk van Poortugaal is de eenzame ligging buiten het oude dorp. Archeologisch onderzoek en Onderzoek in de oude archieven geven hiervoor echter een overduidelijke verklaring.

Het archeologisch onderzoek verricht, n.a.v. de aanleg van de metro van Rotterdam naar Hoogvliet, in 1970 en volgende jaren leert dat reeds sedert de late ijzertijd aan een kreek, later "de Breede Vliet" genaamd, wordt gewoond. Na onderbrekingen zoals b.v. de overstromingen van dit gebied in de jaren 1164-1170 wordt deze plaats opnieuw bewoond vanaf ca. 1180 na de herbedijking van een ringpolder van ca. 90 ha.

De bedijking wordt ter hand genomen door een lid van het geslacht dat zich later naar een ander bezit "van Putten" gaat noemen. In het midden van de nieuwe polder ontstaat een bestuurscentrum, waarin een oorspronkelijke zetel van de Heren van Putten, vermoedelijk verwant met de geslachten Persijn en Voorne, gezocht mag worden.

Een oorkonde van 5 december 1216 betreffende de bevestiging van een gift van gravin Aleyd, dan weduwe van graaf Dirk VII, vermeldt onder de getuigen Johannes de Putthen. In juli 1246 geeft Nicolaes van Putten aan de abdij Ter Doest het visrecht in Albrandswaard, welke schenking op 30 september 1248 door de bisschop van Utrecht onder zijn bescherming wordt genomen, zodat dit gebied grenzend aan de oudste Poortugaalse polder dan eveneens in het bezit blijkt te zijn van het geslacht van Putten.

De parochie Poortugaal treffen we eerst aan in 1276 wanneer een bijdrage aan de kruistochttienden van 25 schelling wordt verantwoord.

Omstreeks 1180 wordt aan de kreek "de Breede Vliet" een houten huis gebouwd dienend als bestuurscentrum en op enige afstand komt in deze tijd een houten kerk tot stand, zodat gesteld kan worden dat deze kerk bedoeld is als "hofkerk" waarvan de Heer van Putten patroon is, en een te vergelijken situatie met Geervliet, de hoofdvestiging van de Heer van Putten. Het houten huis wordt tussen 1210 en 1220 vervangen door een stenen huis gebouwd op een zgn. motte of opgeworpen heuvel. Een slechte funderingsconstructie dwingt echter tot afbraak en op ca. 20 minuten gaans wordt tussen 1305 en 1310 een nieuw stenen huis "Valckestein" gebouwd. Het bestuurscentrum verhuist, de kerk, inmiddels eveneens in steen opgetrokken, blijft eenzaam in het landschap achter.

In het zuiden van de ringpolder, op de plaats waar de in de Waal uitlopende kreek "de Breede Vliet" uitmondt en een oeverwal heeft gevormd, ontstaat het dorp Poortugaal. Hier wonen de mensen zonder eigen landbezit en hun kerk zal de kerk van de Heer van Putten zijn. Zij zijn immers niet zo kapitaalkrachtig dat zij een eigen kerk laten bouwen dichter hij hun huizen gelegen.

De looproute wordt nu nog aangegeven door het beloop van de huidige Dorpsstraat-Kerkstraat, liggend op de genoemde oeverwal van "de Breede Vliet".

In 1975 vindt archeologisch onderzoek plaats aan de Achterweg, liggend achter de Dorpsstraat, naar een reeds lang verdwenen boerenhofstede liggend onder het huidige parkeerterrein. In het archief vinden we over deze hofstede in 1361 dat het in leen wordt gehouden door Scutman Pietersz. terwijl omstreeks 1396 het leen door hem wordt overgedragen aan jonkvrouw Jutte van Doernic echtgenote van Eelyaes van den Oerde. De ligging wordt dan nader gepreciseerd door de toevoeging dat de hofstede gelegen is "after den dorpe van Poortegael". Hieruit blijkt overduidelijk dat dan reeds sprake is van een dorp gelegen op de westelijke oeverwal van "de Breede Vliet" en tegen de Welhoeksedijk aan.

 

 

2. Bouwgeschiedenis

De oudste kerk wordt kort na 1180 uit hout opgetrokken gelijk met de houten woning. Het terrein waarop gebouwd wordt ligt op het maaiveld van het 12e eeuwse overstromingsdek op een gemiddelde hoogte van 0,80 m min N.A.P. Opvallend aan deze eerste kerk zijn de geringe afmetingen nl. een gevelbreedte van 5,75 m en een lengte van 15,50 m, wellicht samenhangend met het beoogde doel van de kerk nl. "hofkerk" (zie plattegrond).

De vorm van de kerk laat zich herleiden tot een 11,50 m lang schip (twee kwadraten) en een rechthoekig koor van 4 x 4, vergelijkbaar met de grotere bakstenen kerken uit het begin van de 13e eeuw van dezelfde vorm te Kethel en Hillegersberg. Deze vorm van kerkenbouw is nog niet beïnvloed door een Romaanse stijl en de daarop volgende Gotische bouwstijl, die afgeleid is van de vroeg-christelijke basiliek met middenschip, zijbeuken, transept etc., maar gaat wellicht terug tot de nog heidense tempelbouw die zich tot ca. 750 op het platteland voordoet en na de kersteningen nog vele eeuwen gehandhaafd blijft. In dezelfde tijd dat op een 7 meter hoge motte een bakstenen toren wordt gebouwd tussen 1210 en 1220, wordt de houten kerk vervangen door een bakstenen kerk. Het terrein rond de bestaande kerk wordt eerst opgehoogd en de nieuwe kerk wordt als het ware er omheen gebouwd, zodat de grootte niet veel weer zal zijn dan die van de houten kerk. De grondvorm van de kerk blijft gehandhaafd in de traditie van de middeleeuwse dorpskerkjes, die dan nog losstaat van de invloed van de Gotische bouwstijl die in de kathedraal van Chartres in Frankrijk in 1194 haar intrede doet en die van de Romaanse bouwstijl in de Nederlanden b.v. de St. Servaas kerk te Maastricht van ca. 1180. Het enige tastbare overblijfsel van de oude kerk is een rood zandstenen deksel van een sarcofaag die blijkens de ingehakte kruisjes later als altaarsteen gebruikt is, het deksel ligt nu aan de voet van de preekstoel. In de tegenwoordige kerk is de toren waarschijnlijk het oudste gedeelte. Deze kerk wordt in de tweede helft van de 14e eeuw gebouwd op een opgeworpen "kerk heuvel" waarvan de top op NAP ligt, met een rechthoekig gesloten kerkruimte waarvan niets bewaard is gebleven. De einwanden van de oude kerk worden gesloopt en vervangen door houten noodwanden. De paalgaten van deze houten noodwanden zijn teruggevonden (zie afb.). Het vrij gekomen oude baksteen wordt opnieuw gebruikt voor de nieuw te maken funderingen De toren is in die tijd lager en komt niet hoger dan de nu nog zichtbare boogfriesjes op de zijmuur van de toren en vormen aldus waarschijnlijk een boven-afsluiting van de toren. Vergelijkbaar met deze torenbouw zijn de torens van de kerken te Mijnsherenland en Nieuw Helvoet. Het houten tongewelf dat tegenwoordig de kerk overkoepelt dateert echter eerst van na plm. 1475. De kerkruimte zal of een vlak plafond of een open plafond met de spanten in het zicht gehad hebben zoals b.v. in de kerk te Abbenbroek.

Een ingrijpend bouwplan wordt omstreeks 1450 opgesteld voor de gehele kerk en men begint met de bouw van het recht-gesloten koor. Daar het koor in die tijd het liturgisch centrum is bouwt men dit het eerst, waarschijnlijk op de crypte van de oude kerk wat verklaart dat het koor ca. 1 m boven het maaiveld ligt. Deze verhoogde ligging t.o.v. het schip geeft een optisch voordeel. De hogere ligging van de nok van het koor-dak t.o.v. de boogfriesjes van de toren en het gegeven dat het koor ouder is dan het bovenste gedeelte van de toren pleit voor het vooraf samenstellen van een bouwplan. Een vergelijkbare ontwikkeling is te zien bij de St. Jacobs-kerk te 's-Gravenhage, waar financiële moeilijkheden de afbouw van het opgestelde plan in de weg staan. Men weet dus vooraf hoe het totale kerkgebouw eruit zal gaan zien alvorens met de aanvang van de bouw wordt begonnen.

Het koor zal ca. 1467 gereed gekomen zijn zoals hierna zal blijken bij de bespreking van het interieur van de kerk. Het dwarsschip wordt omstreeks 1475 gebouwd en onderscheidt zich van het koor door meer gebruik van natuursteen in de waterlijsten en steunbeerafdekkingen. In deze tijd of kort daarna wordt het schip uitgelegd ter plaatse van het huidige middenschip en tot de westmuur van de toren doorgetrokken, hierdoor ontstaan aan weerszijden van de toren kapelachtige ruimten. Een van deze ruimten doet dienst als toegang tot de toren en het orgel terwijl de andere kapel tegen de noordwand dienst heeft gedaan als doopkapel. Deze ruimten evenals de ingang onder de toren zijn overkoepeld met een stenen kruisgewelf waaruit blijkt dat men wel degelijk over de capaciteiten beschikt kruisgewelven te bouwen. Vermoedelijk wordt in deze tijd ook de toren verhoogd, de verdiepingen die boven de nok van het dak uitsteken, de klokkenverdiepingen en de verdieping daaronder zijn gelijktijdig gebouwd met de zware steunberen zichtbaar aan dezelfde hoekafzettingen, in witte zandsteen uitgevoerd. De duur van deze grote verbouwing zal vele jaren in beslag nemen en wellicht omstreeks 1525 zijn voltooid, het jaar waarin de klokken zijp gegoten en opgehangen.

In het midden van de zestiende eeuw begint men de bouw in pseudo-basicale vorm. Dit bouwtype komt voort uit de hallenkerken, de eenvoudigste vorm van een overwelving van een driebeukige ruimte, waarbij de zijbeuken zo hoog worden opgetrokken, dat zij het gewelf van de hoofdkerk direct schoren. Nadelen van deze hallenkerken zijn dat het evenwichtige ritme van de basilica verloren gaat en de directe lichthoeveelheid in het middenschip afhankelijk wordt van de lichtopeningen in het zijschip. Men blijft vasthouden aan de gebruikelijke vorm van een breed middenschip en smallere zijschepen. Beginnen de gewelven op dezelfde hoogte dan worden die in de zijschepen spitser dan die in het middenschip. Hierdoor wordt de zijdelingse druk in de zij-schepen groter dan in het middenschip, reden om de gewelfkruinen van het middenschip op dezelfde hoogte te laten en die van de zijschepen te verlagen. Hemelwaterafvoeren tussen twee zadeldaken geeft problemen en men maakt van de daken boven de zijschepen lessenaarsdaken die samen vallen met de gootlijst van het dak boven de middenbeuk. Kerken van bovenstaand type verschillen dus slechts in zoverre van de gewone basiliek, dat de middenbeuk geen eigen vensters heeft. Reden dat ze pseudo-basilieken genoemd worden ter onderscheiding van de zuivere basilieken en hallenkerken. Een groot nadeel van de pseudo-basiliek blijft de gebrekkige verlichting door de lage zijbeukvensters die niet hoger opgetrokken kunnen worden dan de onderste rand van het lessenaarsdak. Dit probleem doet zich bij de hallenkerk minder voor omdat het venster hoger opgetrokken kan worden terwijl scheibogen tussen de hoofden zijbeuken ontbreken. Het probleem wordt nu opgelost door boven elk venstertravee van de zijbeuken een topgevel op te trekken waarin men een hoger spitsboogvenster kan plaatsen. Deze topgevels snijden met een steekkap de gewelven van de zijbeuk (zie afb. ).

De gemelde verbouwing in het midden van zestiende eeuw begint met de afbraak van het bestaande schip en een verbreding van de beide zijschepen. In de muren van de zijbeuken worden de bovenbeschreven topgevels opgetrokken en aangepast aan de vorm van het metselwerk van koor en dwarsschip voor wat betreft de boven-afsluiting. Deze top-gevels geven een duidelijk architectonisch winstpunt t.o.v. de grote dakschilden. In deze tijd zal ook wel de torenkap gebouwd zijn die veel wordt toegepast als afsluiting op de torens van de gotische dorpskerkjes. De torenkap wordt afgesloten met een gotisch torenkruis dat nu in een hoek van het koor opgesteld staat.

Inwendig vertoont de bekapping van het schip eigenaardigheden, waarbij men zich afvraagt of men zich deze ook aanvankelijk anders gedacht heeft. Bijzonder vallen op de vijfdelige kruisingspeilers met de daarop onregelmatig geplaatste westelijke stijlen van de kilkepersspanten. Door het verschil in breedte tussen koor en middenschip staan de oostelijke stijlen van de diagonale spanten zover uit de triomfboog als tegenover de muurstijlen van de kapbalken van de dwarsarmen nog verantwoord is, op een onderling verschillende afstand wegens het verspringen van de as van het schip t.o.v. de as van het koor. Opmerkelijk is ook, dat bij de zijbeukgewelven de vergaringen van de schenkels en gording doorhangen onder de toppen van de scheibogen.

 

3. Restauraties

Restauraties behoren eveneens tot de bouwgeschiedenis van de kerk. In de loop van de eeuwen zullen meerdere grotere en kleinere en kleinere restauraties hebben plaats gevonden.

Uit de bewaard gebleven archieven van de kerk is een voornemen tot een restauratie bekend gebleven. In 1748 verzoeken schout, schepenen en kerkmeester van Poortugaal en schout en schepenen van Albrandswaard aan de Staten van Holland en West-Friesland om octrooi, tot het doen van een omslag tot reparatie van het kerkgebouw. In deze eeuw nl. in de jaren 1923-1924 vindt een grote restauratie plaats onder leiding van H. van der Kloot Meyburg uit Den Haag. Hierbij wordt de preekstoel geplaatst voor de ingang van het koor en wordt de plaatsing van de banken daarop afgestemd. Vanaf de ingang komt een middenpad, met aan weerszijden de banken, terwijl in de afsluiting van de noordelijke en zuidelijke zijbeuk de zgn. polderbanken worden geplaatst (zie afb.).

In het jaar 1971 wordt een aanvang gemaakt met het plaatsen van een nieuwe centrale-vloerverwarming terwijl inwendig de muren gerestaureerd worden. Deze gehele inwendige restauratie wordt in 1973 voltooid waarbij de inrichting weer in oorspronkelijke plaatsing wordt teruggebracht van vóór de restauratie van 1923-1924. De houten banken worden vervangen door oud-Hollandse stoelen. De preekstoel vindt zijn plaats terug tegen de pilaar bij de zuidelijke zijbeuk.

De toren sedert 1798 volgens de staatsregeling eigendom van de burgerlijke gemeente wordt onder leiding van Jac van Gils uit Rotterdam in 1915 gerestaureerd en in de jaren 1953-1955 onder leiding van P.J.W.C. Bolt uit Den Haag gerestaureerd.

 

4. Het interieur

De eikenhouten preekstoel wordt in 1774 in Lodewijk XIV-stijl vervaardigd door de Schiedamse timmerman Gerardus Louwerom naar een ontwerp van Rutger van Bol. In het oudst bewaarde zgn. "Kerckboeck" treffen we de trouwinschrijving op 29 november 1592 aan van Cornelis Wouters en Neeltje Philips; hierbij staat het volgende vermeld: "....waren de eersten die men in de kapele of het raethuys trouwde nadat ze opgetimmerd was". Uit deze opmerking blijkt dat het hoog in het koor oprijzende getimmerde met de zware deuren naar de consistoriekamer in 1592 opgetrokken is. In dit verband zal onder raethuys verstaan kunnen worden de ruimte waar de (kerke-)raet vergaderde.

In de noordelijke zijbeuk staat een drieluik uit 1687 met daarop vermeld, de geloofsartikelen, het doopformulier, de 10 geboden, gebed des Heren en het formulier voor het Avondmaal. In de zuidelijke zijbeuk hoort aan de muur te hangen een bord waarop "Salomons gebed" met links en rechts een wapen, vermoedelijk geschonken door Abraham Bartholomeusz. van der Swan die in 1607 huwde met Arjaentje Comelisdochter of mogelijk geschonken door zijn broer Isaack van der Swan. Boven de deuren die toegang geven naar de kerk staat een houten bord in sierlijke vergulde letters in barokstijl Pr. 29-2. "Gevet den Heere de eere zijns naams, aanbiddet den Heere in de Heerlijkheid des Heiligdoms. Anno 1782. Ja. de Ridder". De deuren zijn in het jaar 1775 gemaakt in plaats van twee hekken.

Een vrijstaande eikenhouten luifelbank, de zgn. polderbank die voor de laatste restauratie in het zuidelijk dwarspand stond, diende vanaf 1772 als zitplaats voor dijkgraaf, schout en heemraden van Albrandswaard. In hetzelfde jaar is de polderbank in het noordelijk dwarspand bestemd voor dijkgraaf en hoogheemraden van het waterschap van het Gemene land van Poortugaal. Na de laatste restauratie hebben deze banken nog geen nieuwe plaats gekregen, maar het ligt in de bedoeling deze banken ter weerszijden bij de hoofdingang te plaatsen. De zich om de noordelijke hoofdpilaar bevindende eiken-houten bank was in vroeger jaren de plaats van de heren van Valckestein. De kerk bezit drie gebrandschilderde ramen van recente datum. Het raam in het koor van de kerk werd in 1924-1925 ontworpen door Jacop Por, monumentaal schilder te Utrecht. Het bevat het wapen van de schenker van het raam, de familie van der Poest Clement. In de zuidelijke zijbeuk treffen we een gebrandschilderd raam uit 1954 aan voorstellende "de verloren zoon". Boven vertrekt de zoon, overmoedig, links is hij vrolijk op een feest, beneden hoedt hij, radeloos, de zwijnen. Tenslotte zijn terugkeer bij de vader in het welvoorziene ouderhuis (zie afb.).

In de noordelijke zijbeuk bevindt zich een gebrandschilderd raam uit 1956 voorstellende "de barmhartige Samaritaan". Beneden concentreert zich alles om de hulpverlening van het slachtoffer, beneden de verdwijnende figuren van de 3 rovers en de Leviet. Het raam is geschonken door Mej. P.F. van der Poest Clement.

De maker van deze beide laatste ramen is de glazenier Toon Berg uit Dordrecht. Ook vroeger zijn er in de kerk gebrandschilderde ramen geweest, die echter helaas allen verdwenen zijn. Bij het hoofdstuk over de bouwgeschiedenis is als datum van gereedkoming van het koor vermeld ca. 1467. Glasramen worden in die tijd geschonken door vorsten en hertogen, waaruit blijkt dat de adel in die tijd de voornaamste opdrachtgever is geweest. De Heren van Voorne vormen hierop geen uitzondering en het onderzoek van hun rekeningen brengt ook een schenking aan de kerk van Poortugaal aan het licht en wel in het bijzonder met het verschijnen van Frank van Borselen als Heer van Voorne. De glasramen worden geschonken in de traditie bij het gereedkomen van het liturgisch centrum in de kerk, het koor. In rekening nr. 5591 (25 febr. 1467 - 25 febr. 1468) lezen we: "Item den dorden dach in aprille betaelt Zweer van Opbueren glaesmaker in den Haghe van een glas dat hij gemaict heeft bij bevele van mijnen heer in Portingale groot wesende met dat hernasch XX panden al volscreven, eiken pant houdende 111 voeten ende 1 quartier maken LXV voeten, costen den voet IX groot, facit gelijc de certificaty van den kercmeesters van Portingale ende Zweers quitancie de een aen de ander inhouden ende men hier overlevert II ib. VIII sc. IX g."

De opgegeven maten kunnen herleid worden tot de oppervlakte van het raam in het koor.

Uit de notulen van schout en schepenen van Poortugaal van de vergadering van 23 januari 1700 kennen we een voornemen tot het maken van "een glas" in de kerk met daarop afgebeeld de familie-wapens van schout en schepenen. Of dit voornemen ooit tot uitvoering is gekomen is niet bekend, in ieder geval is dat "glas" heden niet aanwezig. Tijdens de restauratie van 1923-1924 worden in de kerk muurschilderingen bloot gelegd die reeds bij de herstellingswerken in 1902 te voorschijn waren gekomen en die bij het uitblijven van rijssteun voor de herstelling werden overgepleisterd. Zij bevonden zich op de oostwand van de beide dwarsarmen en boven de triomfboog waarop o.a. een St. Christoffel, een andere heiligen figuur en niet meer te onderscheiden voorstellingen flauw zichtbaar waren. Alleen een gedeelte in de zuider zijbeuk voorstellende het Laatste Oordeel kon behouden blijven. (zie afb.)

Boven zit Christus als opperste Rechter met opgeheven handen om zijn wonden te tonen. Aan zijn linkerzijde, en wat lager, Maria, die geknield smeekt om genade voor de mensheid. Daar beneden Beëlzebub, de duivel, die met een knots de verdoemden voor zich uitdrijft naar rechts in de opengesperde kaken van de vurige hellemond. De muur van het dwarspand is gebouwd in het laatste kwart van de 15e eeuw, daarna moet de muurschildering zijn gemaakt. Voor het fresco stond een altaar gewijd aan de Heilige Anthonius. Het Laatste Oordeel is een veel voorkomende voorstelling in de middeleeuwse kerken van geheel West-Europa; als beeldhouwwerk in portalen, geschilderd in roosvensters en op zgn. retabels in de wand achter een altaar. Een der oudste is dat in de kathedraal van Chartres (Fr.) midden 13e eeuw en als hoogtepunt van de afbeelding mogen we beschouwen die in de Sixtijnse kapel te Rome, geschilderd door Michelangelo van 1536 tot 1541. Waar elders deze afbeelding voorkomt staat Christus altijd boven in het midden, en lager, tegenover Maria Johannes de Doper. Daaronder in het midden staat dan in de regel de aartsengel Michael, de zielenweger die met zijn weegschaal beslist over eeuwige zaligheid of verdoemenis. De verdoemden worden altijd naar rechts gevoerd; soms geketend en door afzichtelijke duivelsfiguren gedreven. De uitverkorenen worden door engelen het paradijs binnengeleid, om, geheel links in Abrahams schoot te rusten. (Dit laatste is hier verloren gegaan). Bij vele voorstellingen ziet men geheel beneden hoe de overledenen door bazuingeschal van engelen uit hun doodsslaap worden gewekt. Ze staan dan op uit hun lijkkisten en werpen hun kleed af om zich te onderwerpen aan het Laatste Oordeel.

In de vloer van de zuidelijke zijbeuk en het voorste gedeelte van het koor zijn nog vele goed bewaarde grafzerken te vinden (zie afb.).

In de toren, eigendom van de burgerlijke gemeente, hangen twee klokken. De oudste klok wordt te Mechelen in 1525 door de klokkengieter J. van der Gheyn gegoten. Deze klok wordt in de tweede wereldoorlog door de bezetter in beslag genomen. Door de oplettendheid van schipper van Dijk kan de klok na de oorlog weer opgehangen worden. Een gedenksteen met een gedicht van A. van Zanten aangebracht in de muur van de ingang van de toren herinnert aan dit gebeuren; de steen wordt geschonken door de burgerij en de tekst luidt:

"in drie jaar klonk mijn stem niet meer

'k lag op de bodem van het IJsselmeer

heldenmoed van schipper van Dijk

liet mij zakken in het slijk

maar nu jubel ik het uit

besef o mens, wat dit beduidt

geloof van mij, dat God gewis

in nood en dood Uw Redder is"

28juni1943 8 januari 1946

De tweede klok wordt in 1956 door de klokkengieterij B. Eysbouts te Drachten vervaardigd. De oudste klok weegt 950 kg en heeft als randschrift de tekst:

Ter eere Gods ben ik gegoten. Alsoo verre mi hoore sal wilt God Bewaren overal. Anno 1525

In relief bevinden zich onder het randschrift vier medaillons voorstellende: 1. Het Avondmaal. 2. De Moeder Gods met kind. 3. De Calvariënberg. 4. Het wapen van Mechelen. Gipsafgietsels van de klok staan op de vloer van de zuidelijke zijbeuk.

De klok uit 1956 weegt 700 kg en heeft als randschrift:

Gelijk wellicht tevoren, laten wij samen ons geluid weer horen. Anno 1956 ".

Ook in vroeger tijden hingen er twee klokken in de toren, maar daar de kleinste klok gebarsten was werd deze in 1850 uit de toren gehaald en verkocht voor f. 376,60. Vermeldenswaard is de bestemming die aan de opbrengst gegeven wordt. In het raadsbesluit van 27 april 1850 valt te lezen:

Besloten kleine metalen bel als gebarsten zijnde, sedert verscheidene jaren buiten gebruik is moeten gesteld worden en wegende bij gissing 400 & 450 Nederlandse ponden, uit de hand te verkopen, uit de opbrengst de kosten te bestrijden van het opnemen en opnieuw leggen van de Dorpsstraat

Niet meer in de kerk aanwezig maar te zien in het museum Boymans-van Beuningen te Rotterdam, waar het in bruikleen is gegeven, is het avondmaalszilver. Een zilveren schotel, diameter 34,2 cm, gemaakt door de Rotterdamse zilversmid Sacharias du Vignon, met aan de onderzijde de vermelding: "Dit is de Kercke Schotel van Poortugael 1687 ".

Verder twee zilveren bekers, geschonken door Doen Jansz. Hoogwerf, Heemraad van Poortugaal, met de vermelding: Kerck bekers 1641, D.I.H.W. "; de bekers zijn vervaardigd door de Dordtse zilversmid Hermanus Sonnemans (zie afb.).

Het hiervoor vermelde sarcofaagdeksel uit de vroegste periode van de kerk is gemaakt van rode zandsteen in trapeziumvorm, lang 165 cm breed 63 cm en 83 cm. Ingehakt zijn S kruisjes geplaatst als volgt:

XX

+

XX

De oppervlakte is wat ongelijk er is a.h.w. een gleuf te onderscheiden, kennelijk het deksel van een sarcofaag die te oordelen naar de er in aangebrachte kruisjes later dienst heeft gedaan als altaartafel of mensa. De kruisjes stellen voor de vijf wonden van Christus en zijn van het oudst voorkomende type. De steen kan uit de 11e of 12e eeuw stammen. In navolging van de eerste Christenen, die in de catacomben van Rome het Heilig Avondmaal vierden boven de graven der martelaren, bestaat nog het voorschrift in de Katholieke Kerk, dat de heilige mis moet worden gegeven boven de zgn. relikwieën, de overblijfselen van martelaar of heilige. Deze zijn dan in of onder de steen verborgen in het "sepulcrum" een holte in de altaartafel.

Het huidige orgel in de kerk is aangebracht ter vervanging van het orgel gemaakt in 1916 door A. Standaard te Rotterdam en dat geschonken is ter gelegenheid van het 40-jarig huwelijk van het echtpaar van der Poest Clement-Lebret op 16 november 1916.

Het nieuwe orgel is op 16 december 1977 officieel in gebruik genomen. Het is afkomstig uit de voormalige Bethlehemkerk, de z.g.n. Hervormde Armenkerk te 's-Gravenhage en is gebouwd door de Rotterdamse orgelmaker Willem Hendrik Kam, die het orgel op 12 februari 1860 opgeleverd heeft. Het hoofdwerk en bovenwerk heeft 54 toetsen en het pedaal 27 toetsen.

Het orgel is geplaatst en gerestaureerd door de firma Fama en Raadgever, orgel- en clavecimbel-makers te Utrecht. Het orgelbalkon is gebouwd door B.V. Aannemersbedrijf Woudenberg te Ameide, onder architectuur van Jan Walraad te Brielle. (Meer informatie over het orgel van onze kerk vindt u op deze web site. )

 

5. Eredienst en stichtingen.

De kerk heeft behoord tot het Kapittel van Geervliet en was gewijd aan de H. Maria. Het hoofdaltaar was aan haar gewijd. Het tweede was gewijd aan het Heilige Kruis en Johannes de Doper. Het derde altaar was gewijd aan St. Anthonius.

De oudst bekende pastoor is in 1285 Heren Heinriken den Pape van Portegaele. Een van de laatste pastoors is geweest Wouter 8ymons, eerst Carmeliet te Thienen en daarna pastoor te Poortugaal. Hij verliet Poortugaal wegens zijn genegenheid tot de hervorming. Hij vestigde zich te Leiden waar hij de lakenhandel uitoefende. Hij predikte te Monster ei' op het kerkhof te Poeldijk en doopte kinderen uit Vlaardingen en 's-Gravenzande. Hij werd gevangen genomen en met Arend Dirksz. de Vos, pastoor van de Lier, Adriaen Jansz. van Berckenwoude, pastoor van IJsselmonde en Sijbrandt Jansz. Pastoor van Schagen, wegens het verlaten van de Roomse kerk op 30 mei 1570 in Den Haag geworgd en verbrand. Na de laatste pastoor Heindrik Jacobsz. van Os vermeld in 1576 komt in 1581 als eerste predikant Jan Anthoniesz. Een andere predikant is geweest Elsazar Swalmius beroepen 10 augustus 1605 en april 1612 vertrokken naar Schiedam. Hij is in 1625 vertrokken naar Amsterdam. Zijn portret is door Rembrandt geschilderd en is nu in het bezit van het Kon. Museum voor Schone Kunsten te Antwerpen. Een kopie van het schilderij hangt als gravure in de consistoriekamer.

Een belangrijk document in het archief van de kerk is de blaffaard van de memorielanden van Poortugaal. Memorielanden zijn landen, belast met de onkosten van memoriën of zielenmissen. Voor de administratie wordt volstaan met het volgens de kerkelijke kalender ingedeeld memorieboek, het liber memorianum, waarin op elke dag vermeld staan de te lezen missen met wat daarvoor beschikbaar is, en ook op wie of wat de last (d.w.z. de kosten van de mis) rust.

 

Geraadpleegde literatuur:

  1. Genealogische en andere merkwaardigheden in de Hervormde kerk te Poortugaal, door G.J. Vermaat in "Ons Voorgeslacht", juli/aug. 1964, nr. 125, maandblad voor de Zuid-Hollandse Vereniging voor Genealogie.
  2. De blaffaard van de memorielanden van Poortugaal door Dr. J.L. van der Gouw, in Hollandse Studiën 3, 's-Gravenhage-Haarlem 1972.
  3. Sprokkels uit Poortugaals Historie, door N.L. van Dinther, uitgave Gemeente Poortugaal 1977.
  4. Archeologisch onderzoek in de oudste polder van Poortugaal, door N.L. van Dinther in "Westerheem" XXVIII-6-1979, tweemaandelijks orgaan van de Archeologische Werkgemeenschap voor Nederland (A.W.N.)
  5. De gotische kerk van Poortugaal, door Gert van Kralingen, scriptie voor de afdeling bouwkunde 1979, niet in druk verschenen.

 

Spreuk

Maak van je knelpunten knielpunten

Nieuws

Geen samenkomsten op zondag of op andere dagen, de klokken blijven zondags stil. Ook voor de kerk is het een bijzondere, onwezenlijke tijd. Maar: we houden de lofzang gaande en vinden creatieve manieren om naar elkaar om te zien. De kerkenraad is daar dankbaar voor. Als teken van verbondenheid en om informatie te delen, treft u hier onze nieuwsbrieven

 

Eyeopener Handen geven mag niet meer. Handen vouwen des te meer.

Om in contact te komen met de gemeente kunt u contact opnemen met:

Predikant: Vacant
Scriba: Roel v/d Berg en Jannine van Lieshout, E-mail: scriba@pgpoortugaal.nl
Website: R. van Klaveren, tel. 5014962 of per webmaster@pgpoortugaal.nl

Dorpskerk

De dorpskerk is gelegen direct aan de Groene Kruisweg op de kruising met de Kerkstraat. Telefoonnummer van de dienstdoende koster: 06-17044302. De kerk ligt op loopafstand van het metrostation Poortugaal. Voor verhuur van de kerk: mw. K. de Zeeuw, 010-5067067

De Haven

Het adres van dit gebouw is: Emmastraat 9, Poortugaal. Voor verhuur contact u de beheerder via dehaven@pgpoortugaal.nl of 's avonds en in het weekend via 06-2846 3442.


Klik hier voor ons Privacy Statement.